Het verhaal van de Profeet Hud

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Het volk van Hud (vrede zij met hem) wordt in de Koran Ad genoemd, het was een volk dat in de zandduinen leefden. Hud (vrede zij met hem) was een Arabisch sprekende profeet. Hud (vrede zij met hem) was een afstammeling van Noah (vrede zij met hem). Hud en zijn volk leefden generaties na het volk van Noah (vrede zij met hem).

Het volk van Noah (vrede zij met hem) is het allereerste volk op aarde dat in afgoderij verviel. Dat was de reden dat Noah (vrede zij met hem) gezonden was. Na de zondvloed was Ad, het volk van Hud (vrede zij met hem), het allereerste volk dat sinds Noach in afgoderij verviel. Toen dit gebeurde zond Allah, de Schepper van de hemelen en de aarde, uit Zijn Barmhartigheid de profeet Hud (vrede zij met hem). Zodat de mensen weer in contact konden komen met hun Heer en zodoende gelukkig zouden leven op aarde en in het hiernamaals.

Hud (vrede zij met hem) werd gezonden naar zijn eigen volk met de boodschap dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah, want Hij is jullie Schepper en de Schepper van de hemelen en aarde. Hud kwam met dezelfde boodschap als alle andere profeten, hij sprak zijn volk aan zoals te lezen in de Koran, hoofdstuk 11:50

“O mijn volk, aanbidt Allah, er is voor jullie geen andere god dan Hij.”

Dit vers is terug te vinden in hoofdstuk 11 van de Koran, een hoofdstuk dat door Allah vernoemd is naar profeet Hud. Het volk van Ad leefde in een gebied tussen Oman en Jemen. Het was een heel sterk volk, fysiek heel sterk, ze hadden daarnaast vele speciale eigenschappen. Het was een natie die voorheen ongekend was, zij bouwden enorme paleizen op hoge terreinen. Dit volk had zoveel geld en rijkdom dat het voor hen niet voldoende was om slechts hun basisbehoeften te voorzien. Zij bouwden uit arrogantie hoge gebouwen en zij deden het gewoon voor de lol, gewoon omdat het kon. Ze bouwden dit allemaal met het idee dat ze voor eeuwig zouden leven. Het waren arrogante mensen die zich lieten meeslepen in hun eigen rijkdommen.

Nadat hij zijn volk had uitgenodigd naar het aanbidden van Allah maakten ze hem uit voor dwaas. Hud (vrede zij met hem) gaf hen het antwoord dat we vinden in hoofdstuk 7:67 van de Koran:

“O mijn volk, er is bij mij geen dwaasheid, maar ik ben een Boodschapper van de Heer der werelden.”

Ze maken Hud (vrede zij met hem) voor van alles uit, ze noemen hem een dwaas, een leugenaar etc. etc. Ze waren zo arrogant en zo trots dat ze niet eens de moeite namen om objectief de boodschap waar Hud mee kwam te bestuderen. Hud (vrede zij met hem) gaf hen heel duidelijk aan dat hij een profeet is, gestuurd door Allah. Het enige wat een profeet wil is dat de mensen de boodschap van Allah zullen volgen zodat ze gelukkig zullen zijn in het wereldse leven en het hiernamaals. Een profeet nodigt de mensen alleen daarom uit naar het aanbidden van Allah. Een profeet doet dit nooit uit eigen belang, voor geld, of voor macht etc. Hud (vrede zij met hem) bleef heel lang geduldig met zijn volk, hij bracht hen duidelijke bewijzen zodat zij zeker konden weten dat hij een profeet is die gestuurd is door Allah, de Schepper van de hemelen en de aarde.

Op een dag was Hud weer in gesprek met zijn volk, op een gegeven moment tijdens dat gesprek zegt Hud (Koran, hoofdstuk 11:54-55:

“Ik roep Allah op als Getuige, en getuig dat ik onschuldig ben aan wat jullie aan deelgenoten toekennen. Naast Hem. Beraamt gezamenlijk een plan tegen mij en geeft mij vervolgens geen uitstel.”

Dit is een heel sterk argument van Hud (vrede zij met hem). Want wat zegt hij hier precies? Allereerst roept hij Allah op als Getuige van zijn uitspraak, met andere woorden; Allah hoort alles wat wij zeggen en ziet alles wat wij doen. Daarnaast vraagt hij zijn volk dat zij moeten getuigen dat hij vrij is van afgoderij. Met andere woorden: ik keur jullie daden af en ik aanbid die Ene ware God in plaats van afgoden (die tot niks in staat zijn, niet kunnen horen, niets hebben geschapen en zelf geschapen zijn etc.).

Maar het laatste argument van Hud is heel sterk. Hij zegt tegen zijn volk; span dan tegen mij samen en geef mij geen uitstel. Met andere woorden, als jullie goden zo sterk zijn en echt het recht hebben om aanbeden te worden, dan daag ik ze uit. Ik weet namelijk dat het slechts verzonnen is door jullie en dat ze mij niets kunnen maken. En wat gebeurde er? Er gebeurde helemaal niets. Dit was op zichzelf al een bewijs dat de afgoden die zij aanbaden slechts verzonnen waren en dat ze tot niks in staat zijn.

Op een gegeven moment werd het volk van Hud (vrede zij met hem) het helemaal zat. Hud (vrede zij met hem) bleef hun uitnodigen en waarschuwen voor de bestraffing. Maar zij geloofden dit allemaal niet en ze zeiden tegen hem (Koran, hoofdstuk 26:136-138):

“Voor ons is het hetzelfde of jij ons waarschuwt of dat jij niet tot de waarschuwers behoort. Dit is slechts een gewoonte van de vroegeren. En wij zullen niet behoren tot hen die gestraft worden.”

Met andere woorden, wat jij ons vertelt oh Hud is slechts onzin, het is allemaal verzonnen, het zijn verhaaltjes van mensen die voor ons hebben geleefd, wij zullen echt niet gestraft worden. Dit was de reactie van het volk van Hud (vrede zij met hem), in een ander vers zeggen ze zelf letterlijk tegen Hud (Koran, hoofdstuk 7:70):


“Laat dan komen, hetgeen wat jij ons aanzegt, als jij tot de waarachtigen behoort.”

Ze riepen dus de bestraffing van Allah over zichzelf af. Het volk van Hud had destijds een tekort aan regen, ze keken uit naar regen en wanneer ze wolken zagen werden ze blij. Allah stuurden hen wolken, maar de wolken die Allah hen stuurde waren geen wolken met regen, maar wolken met een bestraffing. Ze werden vernietigd door felle rukwinden, een zware storm die zeven nachten en acht dagen aanhield. Het vernietigde zelfs hun hoge gebouwen die ze met veel pracht en praal in elkaar hadden gezet. Dit was het gevolg van hun hoogmoedigheid, zij beweerden zelfs dat zij de machtigste waren zoals we lezen in hoofdstuk 41 vers 15: “Wie is er sterker dan wij?”