Yaqoeb en zijn familie verhuisden naar Egypte om bij Yoesef te wonen. De mensen van Egypte hielden veel van hun gasten. Dit bleef een lange tijd zo. De Egyptenaren herinnerden zich hoe goed Yoesef en zijn familie en nakomelingen voor hen waren. Maar later veranderden de zaken. Het gedrag van de nakomelingen van Yaqoeb, die de Banoe Israa’iel (Kinderen van Israël) werden genoemd, raakte bedorven, en ze hielden op met het aanbidden van Allah.

De bewoners van Egypte veranderden van houding tegenover Banoe Israa’iel. Egypte kreeg een bijzonder tirannieke man als leider. Allah noemt hem in de Koran Pharo (Farao). Hij dacht dat zijn volk, de Kopten, een ras waren om te heersen en de Banoe Israa’iel een ras om als slaven te dienen.

Alle mannelijke baby’s moesten dood

Op een dag gaf Pharo (Farao) het bevel om alle mannelijke baby’s te doden die vanaf die dag geboren werden bij Banoe Israa’iel. Hij gaf dit bevel, omdat hij had gehoord dat Banoe Israa’iel zeiden, dat zij de geboorte van hun verlosser verwachtten. Deze verlosser zou Pharo en zijn aanhangers vernietigen.

Pharo probeerde op deze manier zijn troon en zijn aanzien bij zijn gemeenschap te beschermen. Hij maakte van Banoe Israa’iel slaven. Zij moesten alles voor hem doen en hij deed hen veel pijn. Hij was bang dat de aankomende verlosser Banoe Israa’iel van hem zou bevrijden. Hij beweerde dat hij God was en hij was bang dat de aankomende verlosser niet in hem zou geloven en dat zijn komst ook zijn einde zou betekenen. Dus hij deed er alles aan om dit tegen te gaan. Alle tirannen zijn zo; ze zijn altijd bereid iedereen te doden, zelfs baby’s, als ze maar aan de macht blijven.

Maar als Allah iets wil, kan niemand dat tegenhouden. Allah had besloten dat deze verlosser op een schitterende wijze werd gered. Hij had besloten dat Moussa in leven zou blijven en dat hij in het huis van de Farao, recht onder zijn eigen neus, zou worden opgevoed.

Moussa wordt grootgebracht door Pharo

De zwangerschap van de moeder van Moussa was Qawmoe Pharo (het volk van Pharo, de Kopten) niet opgevallen. Dit was een gunst van Allah, want het waren immers gevaarlijke tijden voor de pasgeborenen van Banoe Israa’iel. Toen de baby geboren werd openbaarde Allah aan de moeder van Moussa hoe ze hem kon beschermen als zij vreesde dat hij ontdekt zou worden: ze moest hem in een kistje leggen en vervolgens het op de zee laten drijven.

De zee dreef het kistje met Moussa erin weg, het gleed over de Nijl tot aan het paleis van de Farao, waar men het kistje met de baby oppakte.

De vrouw van de Farao was zo erg onder de indruk van Moussa, dat zij er bij haar echtgenoot op aandrong de baby niet te doden. Ze zei:

“Een verblijding van het oog voor mij en jou. Doodt hem niet, misschien zal hij ons van nut zijn, of kunnen wij hem als een zoon nemen.” (Soerah al-Qassas: 9)

De moeder van Moussa stuurde Moussa’s oudere zus om te kijken wat er met hem was gebeurd. Maar Allah had voor Moussa bepaald dat hij terug zou komen bij zijn moeder. De vrouw van de Farao ging namelijk op zoek naar een zoogvrouw voor Moussa. Maar Moussa wilde van niemand borstvoeding hebben. Totdat zijn zus naar de Farao ging en zei:

“Zal ik jullie iemand laten zien die hem zal verzorgen?” (Soerah Ta Ha: 40)

''Wij brachten jou dan bij je moeder terug, zodat haar oog verblijd zou worden en dat zij niet bedroefd zou zijn.'' (Soerah Ta Ha: 40)

Moussa doodt een man uit het volk van Pharo

Moussa groeide op in het paleis van de Farao tot een slimme en bekwame man. Op een dag liep Moussa op straat en zag twee mannen met elkaar vechten, een Egyptenaar en een Israëliet. De Israëliet vroeg Moussa om hulp, dus sloeg Moussa de Egyptenaar één keer met zijn vuist en hierdoor overleed de man. Moussa wilde de Egyptenaar niet doden, maar hij was zo sterk dat deze ene klap hem al doodde. Moussa betreurde het dan ook zeer en was berouwvol en bad tot Allah dat Hij hem zou vergeven. Dit deed Allah ook. De geruchten hadden het paleis van de Farao al bereikt dus besloot Moussa voor zijn leven te vluchten.

Moussa vlucht naar Madyan

Moussa vluchtte uit Egypte en kwam aan in Madyan, de stad van de Profeet Shuhaib. De mensen daar waren Arabieren. Hij was erg moe van het reizen dus rustte Moussa uit onder een boom vlak bij een waterput. Moussa zag daar twee vrouwen, die ook hun schapen te drinken wilden geven. Maar ze konden het water uit de put niet bereiken. Moussa hielp hen toen om het water aan hun kudde te geven.

Toen de vrouwen thuiskwamen vertelden ze hun oude vader, Shuhaib wat er was gebeurd. Hij stuurde één van hen terug om Moussa uit te nodigen bij hun thuis. Later bood de vader één van z'n dochters aan Moussa om mee te trouwen. Moussa accepteerde dit aanbod en leefde naderhand een gelukkig leven met zijn familie en de oude vader bij de put. Moussa bleef voor een periode van ongeveer tien jaar bij Shuhaib.

Na deze periode vertrok Moussa met zijn familie. Op een avond verdwaalde hij in een donkere nacht. Hij zag een vuur in de richting van een berg en zei tegen z'n familie dat ze achter moesten blijven, waarop hij in z'n eentje besloot om het vuur te naderen. Toen hij in de vallei van Toewwa was aangekomen, zag hij iets vreemds; een struik die in brand stond. Toen Moussa dichterbij kwam, hoorde hij een stem :

“O­ Moussa”, zei de stem, “Ik ben Allah”. De stem droeg hem vervolgens op naar de mensen te gaan, en hen te vertellen dat er maar één God is, namelijk Allah die hen geschapen heeft. Daarom moeten ze dankbaar zijn en alleen tot Hem bidden en streven om goede daden te doen. Verder zei Allah tegen Moussa dat hij zijn broer Haroen mee moest nemen en naar Farao en z'n volk moesten gaan om hem de boodschap van Allah door te geven.

Moussa gaat naar de Farao

Moussa kreeg van Allah twee tekenen mee. Zijn staf veranderde in een slang als Moussa het op de grond gooide en als hij zijn hand onder zijn arm plaatste, dan werd het wit en begon het te stralen. Moussa was bang om terug te gaan omdat hij juist was gevlucht uit Egypte toen hij iemand had gedood. Allah zegt hierover in de Koran:

En (gedenk) toen jullie Heer Moussa riep en zei: “Ga naar het volk dat onrechtvaardig is, het volk van de Farao. Zullen zij Allah dan niet vrezen?” Hij zei (Moussa): “Mijn Heer! Waarlijk, ik vrees dat zij mij zullen loochenen, en mijn borst is beklemd en mijn tong drukt zich niet goed uit. Laat Haroen dus meekomen. En zij beschuldigen mij van een misdrijf, en ik ben bang dat zij mij zullen doden.” Allah zei: “Nee! Gaan jullie beiden met Onze tekenen. Waarlijk Wij zullen bij jullie zijn, luisterend. En wanneer jullie beiden tot de Farao komen, zeg: “Wij zijn de Boodschappers van de Heer van de werelden laat de kinderen van Israël met ons meegaan.” Hij (Farao) zei: “Hebben wij jou niet als een kind van ons opgevoed? En jij hebt vele jaren van je leven bij ons gewoond. En je hebt je daad gepleegd, die je gedaan hebt (iemand vermoord). En jij bent één van de ondankbaren.” Moussa zei: “Ik heb het gedaan toen ik onwetend was. Dus vluchtte ik van u, want ik was bang voor u. Maar mijn Heer heeft mij wijsheid gegeven en mij als één van de Boodschappers aangewezen. En dit is de vroegere gunst die u mij bewees; dat u de kinderen van Israël tot slaven heeft gemaakt. (Soerah as-Shoearaa’: 10-22)

Moussa ging naar Egypte en vertelde Farao over de Enige echte God, Allah, de Heer van de werelden. Hij vertelde hem, dat hij de Boodschapper van Allah was en dat hij samen met zijn broer Haroen was gestuurd. De Farao werd erg boos en begon te dreigen.

Hij (Farao) zei: “Als je een god buiten mij neemt, zal ik je zeker onder de gevangenen plaatsen.” Moussa zei: “Zelfs als ik u iets duidelijks breng?” Farao zei: “Breng het dan, als je één van de waarachtigen bent!” Dus gooide Moussa zijn staf en het werd een duidelijke slang. En hij stak zijn hand uit en die werd wit voor alle toeschouwers. (Soerah as-Shoearaa: 29-33)

Maar in plaats van dat de Farao Moussa zou geloven, maakte hij hem uit voor een tovenaar. De Farao liet de beste tovenaren uit het hele land bijeenkomen om te laten zien dat zij ook dezelfde trucjes als Moussa konden. Alle mensen werden verzameld op de dag van het feest. De tovenaren hadden touwen en stokken meegenomen en door hun toverkunst leek het net of het echte slangen waren. Maar Allah openbaarde aan Moussa:

“Vrees niet! Zeker, jij zal de overhand hebben. En gooi dat wat in jouw rechterhand is! Het zal wat zij gemaakt hebben inslikken. Wat zij gemaakt hebben is slechts de truc van een tovenaar en de tovenaar zal nooit slagen, hoeveel vaardigheid hij ook krijgt.” (Soerah Ta Ha: 68-69)

Toen Moussa zijn staf op de grond gooide veranderde de staf in een slang en at toen alle ‘slangen’ op die de tovenaars hadden gemaakt. De tovenaars waren diep onder de indruk en zeiden: “Wij geloven oprecht in Allah die Moussa heeft gestuurd als Zijn Profeet. Allah bestaat echt en is terecht machtiger dan een ieder van ons”. Farao was woedend en zei:

“Geloven jullie in hem (Moussa), voordat ik jullie toestemming geef om erin te geloven.” (Soerah al-Araaf: 123)

“Ik zal zeker jullie handen en voeten aan tegengestelde kant afhakken, dan zal ik jullie allen kruisigen. Zij (de voormalige tovenaars) zeiden: “Voorwaar tot onze Heer keren wij terug. En jij neemt slechts wraak op ons, omdat wij in de tekenen van onze Heer geloven, toen zij ons bereikten. Onze Heer! Schenk ons geduld en laat ons als moslims sterven.” (Soerah al-Araaf: 124-126)

Deze tovenaars waren aan het begin van de dag nog veelgodenaanbidders en stierven aan het einde van de dag als martelaren!

De Farao werd steeds meer volhardend in zijn ongeloof en hij spotte met Allah en zijn Boodschapper Moussa toen hij zei:

“O Haman! Bouw voor mij een toren zodat ik de poorten kan bereiken. De poorten van de hemelen zodat ik de God van Moussa kan zien, maar waarlijk ik denk dat hij een leugenaar is.” (Soerah Ghaafier: 36-37)

Moussa kwam in totaal met wel negen tekenen, maar het volk van Egypte wilde maar niet geloven. De tekenen van Moussa waren:

  1. Zijn staf
  2. Zijn hand die wit werd en straalde
  3. Jaren van droogte en watertekort
  4. Een tekort aan oogst
  5. Epidemieën onder de mensen en de dieren
  6. Een sprinkhanenplaag
  7. Een luizenplaag
  8. Een kikkerplaag
  9. Het water van de Nijl veranderde in bloed

Moussa kwam met twee eisen naar de Farao. De eerste was dat de Farao en zijn mensen moesten stoppen met het onderdrukken van de kinderen van Israël en dat zij in Allah moesten geloven. Als tweede kwam hij de kinderen van Israël uit Egypte halen. Keer op keer dat de Egyptenaren werden getroffen door een ramp beloofden zij Moussa beterschap en vroegen zij hem om aan Allah te vragen om de betreffende ramp te laten stoppen. Maar zij bleven hun beloften maar breken.

Moussa en de kinderen van Israël verlaten Egypte

Na al deze pogingen gaf Allah aan Moussa de opdracht om de Israëlieten ’s nachts mee te nemen en Egypte te verlaten. Toen de Farao erachter kwam dat Moussa met de kinderen van Israël op de vlucht was geslagen werd hij woedend en riep een groot leger soldaten bij elkaar dat hij zelf aanvoerde.

De zee splijt in tweeën

"En Wij namen de kinderen van Israël dwars door de zee en de Farao volgde met zijn leger uit onderdrukking en vijandigschap. Toen hij verdronk zei hij: “Ik geloof, dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Hij, in wie de kinderen van Israël geloven en ik ben één van degenen die moslim zijn.” Nu pas, terwijl je eerder weigerde te geloven en je tot de verderfzaaiers behoorde. Deze dag zullen Wij dus je (dode) lichaam (uit de zee) brengen, zodat je een teken zult zijn voor degenen die na jou komen!” (Soerah Yoenes: 90-92)