Heel lang geleden woonde er in een dorp een jongen die Ibrahiem heette. Ibrahiem was slim en vroeg altijd veel. De vader van Ibrahiem heette Azar. Hij maakte beelden en ging voor hen bidden samen met de andere mensen uit het dorp. Zulke beelden noemen we afgodsbeelden. Ibrahiem deed dat niet, omdat hij wel wist dat beelden niets voor mensen kunnen doen. De beelden werden immers door de mensen zelf gemaakt. Nee! Ibrahiem zocht naar iets anders.

Op een nacht zag hij een ster en zei: “Dat is mijn God!” Maar toen de ster verdween zei hij: “Nee, dit is mijn God niet!” Toen zag Ibrahiem de maan en zei: “Dit is mijn God!” Maar de maan maakte plaats voor de zon, waarop Ibrahiem zei: “Nee, dit is mijn God, dit is de grootste!”

Nadat ook de zon weer onderging, zei hij: “Ook dit is mijn God niet, want mijn God gaat nooit weg en Hij gaat nooit dood!” Ibrahiem wist natuurlijk heel goed dat deze hemellichamen gemaakt zijn door Allah, maar hij wilde de mensen slechts aan het denken zetten. Ibrahiem voelde dat Allah de zon, de maan en de sterren gemaakt had. Allah maakte Ibrahiem tot Zijn Profeet.

De afgodsbeelden
Ibrahiem ging naar zijn vader en vroeg hem waarom hij voor de beel­den bad. Hij zei tegen hem: “Zij kunnen toch niet praten en luisteren en waarom zet je eten voor ze neer? Ze kunnen toch helemaal niet eten of drinken!” Ibrahiem's vader werd hierop heel boos. Maar Ibrahiem was niet bang voor hem, Allah had hem sterk gemaakt. Ibrahiem vertelde ook aan de andere mensen in het dorp, wat hij tegen zijn vader gezegd had. Hij vertelde dat de beelden van steen waren en dus niets voor de mensen konden doen. Maar de mensen in het dorp werden ook boos op Ibrahiem en wilden ook niet naar hem luisteren.

Het plan van Ibrahiem
Ibrahiem bedacht een plan. In het dorp was een tempel waarin alle afgodsbeelden stonden. Toen het volk van Ibrahiem een feestdag had en het rustig was in de stad pakte Ibrahiem een bijl en sloop stilletjes de tempel binnen. Hij sloeg alle afgodsbeelden met de bijl kapot, behalve één, de grootste. Om de nek van het grootste beeld hing hij de bijl. Toen de mensen uit het dorp zagen wat er gebeurd was, werden ze woedend. Ze hadden een vermoeden dat Ibrahiem het gedaan had. Ze gingen naar hem toe en vroegen aan hem of hij die beelden stuk gemaakt had? “Vraag dat maar aan het grootste beeld”, zei Ibrahiem. Dat konden de mensen natuurlijk niet. Opnieuw vertelde Ibrahiem de mensen dat ze niet voor de beelden moesten bidden, maar alleen voor Allah.

Ibrahiem wordt gestraft
De mensen wilden Ibrahiem straffen omdat hij de beelden had stuk gemaakt. Als straf hadden ze een heel groot vuur gemaakt. Het vuur was zo groot dat het wel leek of de vlammen tot aan de hemel reikten. Niemand kon in de buurt van het vuur komen door de hitte. De eerste katapult van de wereld is gemaakt door een man die Hezan heette en het was bedoeld om Ibrahiem ermee in het vuur te gooien. Als straf heeft Allah deze man door de aarde laten zakken en tot aan de Dag van Opstanding zal hij in de aarde wegzinken.

Terwijl hij op de katapult werd geplaatst om in het vuur gegooid te worden zei hij:
“Allah is voldoende voor ons en de beste Beschermer.”

Er is overgeleverd dat, terwijl Ibrahiem in de lucht was, Jibriel (Gabriel) naar hem toe ging en zei: “Ibrahiem! Heb je hulp nodig?” Hij antwoordde: “Alleen als Allah dit wil.” Toen beval Allah  het vuur:

“O vuur, wees koud en veilig voor Ibrahiem.”
(Soerah al-Anbiyaa’: 69)

Zo gebeurde het dat het vuur koud en veilig voor Ibrahiem werd. Ibrahiem bleef wel veertig tot vijftig dagen in het vuur en hij heeft over zijn verblijf in het vuur gezegd dat het de beste dagen van zijn leven waren en dat hij wilde dat alle dagen zo zouden zijn. Hij verbleef in een groene tuin die door vuur omringd was. Toen het vuur uitging konden de mensen hun ogen dan ook niet geloven. Ibrahiem was helemaal niet verbrand!! Een man probeerde hetzelfde te doen, maar kwam om in de vlammen. Sommige mensen geloofden door dit wonder nu wel in Allah, maar anderen wilden nog steeds niet geloven.

Ibrahiem en koning Namroed
In het land van Ibrahiem was er een sterke koning. Hij heette Namroed en was onrechtvaardig voor de mensen. De mensen waren bang en moesten buigen voor hem. De koning had gehoord dat Ibrahiem alleen voor Allah wilde buigen en voor niemand anders. Dat maakte de koning erg boos en hij liet daarom Ibrahiem bij zich komen. Toen Ibrahiem voor de koning stond, was hij nog steeds niet bang.

De koning vroeg hem wie zijn god was, waarop Ibrahiem hem over Allah vertelde. Hij vertelde ook dat Allah tot alles in staat is. Allah geeft bijvoorbeeld leven en dood. Koning Namroed vond dat hij dat ook kon. Hij riep een willekeurige man bij zich en maakte hem zomaar dood. Toen liet hij een andere man uit de gevangenis halen (die veroordeeld was tot de doodstraf) en liet hem vrij zodat hij bleef leven. De koning zei dat hij nu hetzelfde kon als Allah. Namroed was een hoogmoedige koning. Maar Ibrahiem was nog niet klaar met hem. Hij zei tegen de koning: “Allah laat de zon iedere ochtend vanuit het oosten opkomen, laat jij nu eens de zon uit het westen opkomen!” Hierop stond de koning met een mond vol tanden, want dit kon hij natuurlijk niet.

Ibrahiem en Sarah
Toen Ibrahiem ouder werd, trouwde hij met Sarah. Ibrahiem en Sarah hadden geen kinderen, maar hadden dit dolgraag gewild. Na een poosje vond Sarah het goed dat Ibrahiem ook met een andere vrouw zou trouwen. Hij huwde Hadjar. Hadjar en Ibrahiem kregen wel een kind, een zoontje Ismaiel genaamd. Sarah was een beetje verdrietig dat zij nog steeds geen kindje had. Daarom haalde Ibrahiem, Hadjar en Ismaiel weg uit haar buurt.

Ibrahiem brengt Hadjar en Ismaiel weg
Ibrahiem, Hadjar en Ismaiel gingen naar een plaats, waar nu Mekka ligt. Er was toen nog helemaal niets; geen water of rivier en er woonden geen mensen of dieren. Ibrahiem liet Hadjar en Ismaiel met een zak water en wat dadels achter. Hierna liep hij weg waarop Hadjar zei: “O Ibrahiem, waar ga je naar toe? Laat je ons hier achter zonder mensen of voedsel?” Zij vroeg hem dit een paar keer, maar hij keek niet om. Toen vroeg Hadjar hem: “Heeft Allah je gezegd dat je dit moest doen?” Ibrahiem antwoordde: “Ja”. Daarop zei Hadjar: “Als Allah het heeft gezegd, zal Hij ons helpen”, en ging terug naar Ismaiel. Ibrahiem liep verder tot Hadjar hem niet meer zien kon. Toen stopte hij en draaide zijn gezicht terug in de richting van de Kabah en zei:"

"Onze Heer! Voorwaar, ik heb mijn vrouw en kind achtergelaten in een onbegroeide vallei bij Uw gewijde huis (Kabah). Onze Heer! Opdat zij voor u het gebed zullen verrichten. Laat daarom de harten van de mensen tot hen neigen, en voorzie hen van vruchten. Opdat zij dankbaar zullen zijn." (Soerat Ibrahiem: 37)

Hadjar en Ismaiel in Mekka
Hadjar en Ismaiel bleven alleen achter. Hadjar gaf Ismaiel te drinken en dronk zelf van het water dat Ibrahiem voor haar had achtergela­ten. Maar toen het water op was, kreeg ze dorst. Ook de kleine Ismaiel wilde weer drinken. Ze liep weg om water te zoeken. Dichtbij haar was de berg Safa. Ze beklom de berg en keek rond of ze iemand zag die haar kon helpen. Maar er was niemand en ze ging de berg weer af. Ze wist niet wat ze moest doen en rende naar een andere berg. Deze berg heette Marwah. Ook daar zocht ze of iemand haar kon helpen, maar ze zag niemand. Opnieuw rende ze de berg Safa op en daarna weer terug naar de berg Marwah. Zo rende ze zeven keer tussen de bergen heen en weer. Toen ze voor de zevende keer bij de berg Marwah aankwam hoorde ze een stem. Ze zei tegen zichzelf: “Luister! O Allah, eindelijk. Ik heb Uw stem gehoord. Ik wilde zo graag dat U mijn smeekbede zou horen.” Vlak daarna zag ze een engel. De engel sloeg met zijn vleugel op de grond en op die plaats kwam opeens water uit de grond. Dat was de Zam-Zam bron. Hadjar vulde haar waterzak en dronk samen met Ismaiel van het water. De engel zei tegen Hadjar: “Wees niet bang dat je dood zult gaan, want op deze plaats zal het Huis van Allah gebouwd worden. Allah zal de mensen die hier gaan wonen niet (door dorst of honger) dood laten gaan.”

Hadjar en Ismaiel krijgen gezelschap
Op een dag was er een karavaan in de buurt. Ze zagen vogels vliegen over de vallei van Mekka. Normaal waren hier geen vogels, deze vliegen alleen boven water. Een paar mensen van de karavaan waren nieuwsgierig en gingen kijken. Hier vonden ze Hadjar en Ismaiel. Ze vroegen aan Hadjar of ze hier mochten wonen. Hadjar vond het goed, maar zei dat ze nooit mochten zeggen dat het water van hen was. Er kwamen steeds meer mensen wonen.

De droom van Ibrahiem
Het duurde een hele tijd voordat Ibrahiem terugkwam om te kijken hoe het met Hadjar en Ismaiel ging. Toen hij hen weer zag, was hij erg blij en Ismaiel was al groot geworden. Op een nacht kreeg Ibrahiem een droom. In die droom zei Allah dat hij zijn zoon Ismaiel moest offeren. Offeren betekent dat je iets (heel speciaals) aan Allah moet schenken. Dit is meestal een dier, maar in dit geval was het een kind.

Ibrahiem wilde doen wat Allah hem gezegd had, en vertelde Ismaiel over zijn droom. Beiden waren heel sterk in hun geloof en liefde voor Allah, waarop Ismaiel tegen zijn vader zei dat hij moest doen wat Allah hem gevraagd had. Ismaiel en Ibrahiem gingen naar de berg Tsabier. Onderweg kwamen ze de shaitan tegen. Hij zag eruit als een mens. De shaitan vertelde hen dat het niet Allah was die in die droom gepraat had, maar dat hijzelf dit gezegd had tegen Ibrahiem. Ibrahiem wist wel dat de shaitan wilde dat hij niet naar Allah zou luisteren. Daarom gooide Ibrahiem stenen naar de shaitan om hem weg te jagen.

De shaitan probeerde daarna Ismaiel om te praten, zodat hij Allah niet zou gehoorzamen. Maar Allah maakte Ismaiel sterk. Ismaiel wist dat, wat Allah wilde, zou gebeuren en hij gooide ook stenen naar shaitan. Daarop ging de shaitan naar Hadjar en zei: “O moeder van Ismaiel, Ibrahiem zal je zoon doden". Waarop Hadjar zei: “Nee, hij houdt veel van hem". “Maar,” zei de shaitan "Hij zegt dat het van Allah moet gebeuren." Toen zei Hadjar: “Als Allah het wil, dan moet het zo zijn!”

Toen Ibrahiem en Ismaiel in Mina aankwamen, maakte hij Ismaiel gereed om te offeren. Maar Allah had al gezien dat Ibrahiem en Ismaiel gehoorzaam waren. Daarom stuurde Allah een ram op het moment dat Ismaiel geofferd zou worden, zodat Ibrahiem zijn zoon niet hoefde te doden. In plaats van zijn zoon offerde Ibrahiem nu de ram voor Allah. Daarna bracht hij Ismaiel terug naar zijn moeder. Ibrahiem ging toen voor een lange tijd weg. Toen hij weer terug kwam was Ismaiel een man geworden en was Hadjar zijn vrouw inmiddels gestorven.
Allah wilde dat Ibrahiem de Kaa'bah weer op zou bouwen vlakbij de Zam-Zam bron. Ibrahiem moest samen met Ismaiel de Kaa'bah bouwen op de stukken die overgebleven waren van de Kaa'bah die Adam gebouwd had. Het was niet de eerste keer dat de Kaa'bah stuk was of helemaal vernield. Eerst heeft de zoon van Adam aan de Kaa'bah gewerkt.

Ibrahiem heeft de Kaa'bah helemaal opnieuw moeten bouwen. Later hebben Qoeraish, vòòr de geboorte van Profeet Mohammed ook de Kaa'bah opnieuw gebouwd. 

Ibrahiem en Ismaiel haalden stenen uit de bergen en bouwden de Kaa'bah. In een hoek van de Kaa'bah werd de al-Hadjarul-Aswad (zwarte steen) ge­plaatst. Toen ze klaar waren ging Ibrahiem op een plaats dichtbij de Kaa'bah staan (Maqam Ibrahiem genaamd). Hij draaide naar alle kanten en zei tegen alle mensen dat ze naar dit Heilige Huis moesten komen om Allah hier te aanbidden. Hij bedoelde niet alleen de mensen die toen leefden, maar ook alle mensen die na hem zouden komen. Op die plaats deden Ibrahiem en Ismaiel toen gebed. Daarna liepen ze beiden zeven keer om de Kaa'bah heen. Toen liepen ze zeven keer van de berg Safa naar de berg Marwah en weer terug (in het Arabisch wordt dit de say genoemd). Dit deden ze als herinnering aan Hadjar. Zo deden Ibrahiem en Ismaiel voor het eerst de Hadj. Alle mensen die nu op Hadj gaan, doen hetzelfde als wat toen Ibrahiem en Ismaiel deden.

Ibrahiem gaat terug naar Sarah
Ibrahiem was intussen heel oud geworden, en Sarah ook. Ze hadden nog steeds geen kinderen samen gekregen. Op een dag kwamen er een paar mannen naar het huis van Ibrahiem. Ibrahiem bracht zijn gasten meteen een gebraden kalf. Maar toen hij zag dat ze niets aten, werd hij bang. De mannen waren engelen van Allah en hadden geen behoefte aan eten. Zij zeiden: “Wees niet bang, want wij komen jou vertellen dat je een zoon zult krijgen. Deze zoon zal ook Profeet worden.” Sarah was heel verbaasd, want dit had zij niet verwacht. Zij was al zo oud. Maar na een tijdje werd Ishaaq geboren. 
Zo eindigt het verhaal van onze Profeet Ibrahiem. Hij is heel belangrijk in de Islam. De Profeet Ibrahiem was geen jood of een christen, maar hij was een moslim.

"Ibrahiem was noch jood noch christen, maar hij was een Hanief (ware monotheïst) en hij was geen moeshrik (iemand die aan Allah deelgenoten toekent)."  (Soerat Aali Imraan: 67)